Sterven

Ooit schreef Toon Hermans:

Sterven doe je niet ineens,
maar af en toe een beetje
En alle beetjes die je stierf,
’t is vreemd, maar die vergeet je
Het is je dikwijls zelf ontgaan,
je zegt ik ben wat moe
Maar op een keer dan ben je
aan je laatste beetje toe

Als we terugdenken aan onze jeugd dan zijn er vaak hiaten ontstaan in ons geheugen. Dat hoeft nog niet te wijzen op Alzheimer… Naarmate de tijd verstrijkt zien wij het verleden van een grotere afstand en zijn de feiten niet meer zo scherp. Vaak zijn bepaalde personen of gebeurtenissen weggezakt in ons geheugen en kunnen door iets wat je hoort, ziet of leest weer terugkomen. “Ach ja, nu weet ik het weer!” Hieraan merk je dat wij altijd een beetje sterven aan het leven. Als iemand komt te overlijden wordt ons leven anders. We kijken ‘anders’ terug, want die overleden persoon is er niet meer lijfelijk bij.

Onlangs overleed mijn vroegere scheikunde leraar Frans Hendriks van de voormalige Edith Stein-Mavo. Ik herinner hem als een joviale man. Als hij vóór zijn proeven-aanrecht ging zitten op zijn hoge kruk, dan wist je dat er van lesgeven niet veel meer terecht kwam: hij zat dan op z’n ouwehoer-stoel! Zo herinner ik mij dat hij een keer enthousiast zwaaide met een ontvangen trouwkaart van een oud-leerling. Hij was er helemaal verguld mee! Dat heb ik goed onthouden en vanaf mij kloosterintrede heb ik hem van mijn grote levensstappen op de hoogte gehouden.

Met zijn overlijden heb ik opnieuw het gevoel dat m’n jeugd langzaam afsterft. Het is allemaal langer geleden en tastbare herinneringen zijn niet langer tastbaar. M’n oude kleuterjuf leeft nog en ook m’n onderwijzer van de 6e klas lagere school. Met beiden heb ik nog contact en als ik bij hen ben mag ik weer even kind zijn. Dat ben ik ook als ik weer eens door de plaats rij waar ik opgegroeid ben en waar nog vrienden van mij wonen. Veel is er veranderd, maar als ik er rij zie ik de oude situatie weer voor me. Niet haarscherp, maar beelden uit het verleden komen dan langs.

In die plaats ligt ook mijn moeder begraven. Op hetzelfde kerkhof ligt al een heel arsenaal van bekenden vredig dood te wezen. Als ik er een keer alleen ben wil ik graag die hele meute een gebedje en groetje gaan brengen en ben ik al gauw een uur of wat daar zoet mee. Die zuster van een kloosterzuster, die ome Ad(vocaat) wiens broer de eerste lief van mijn moeder was en zijn aan reuma gestorven vrouw Jos, hun gehandicapte dochter Marijke, de ouwe Mavo-directeur Jan Degen, m’n jonge onderwijzer van de 4e klas lagere school Theo van Munster wiens graf reeds geruimd is, collega’s van m’n pa die ik ook goed kende, die pater Egbrink waar ik als misdienaar begon toen ik negen was, die mevrouw die graag kloosterzuster wilde worden maar het nooit werd en als oblate zich toch zuster liet noemen, die aangewaaide oom Wil en tante Truus, in wier huis nu een broer van m’n 6e-klas-onderwijzer woont en dan sinds kort dus ook mijn ouwe scheikundeleraar.

En toch…als ik daar geweest ben kom ik vol levenslust weer thuis, wel beseffend dat ik statistisch gezien al over de helft ben en met een slecht scenario al onder de zoden lig als deze column postuum gepubliceerd wordt. Ik ga er niet van uit, maar ja, zekerheid hebben we nooit. “Pluk de dag” klinkt wat plat, maar zelfs met het plukken begint het sterven, iedere dag opnieuw. Met onze opgang naar het Paasfeest moeten we eerst langs Witte Donderdag en Goede Vrijdag. Dagen waarop we met Jezus een beetje sterven: aan onszelf, aan onze slechte kanten. En dankzij Hem krijgen we dan weer leven. Sterven, de dood: zij zijn niet het einde. Dat blijkt wel met Pasen.

Kom ik dáárom altijd zo opgewekt van die begraafplaats terug?

Dáárom, aan al mijn lezers: Zalig Pasen!!

Advertenties

Over Emmanuel
"Optimist tot in de kist!"

Reacties zijn gesloten.